|
Abstracte kunst, blijkbaar spreekt het een groeiend publiek aan. Deze zomer stelt Mark Swysen in drie kerken in ons land (onder meer in Oostduinkerke) een aantal van zijn abstracte werken tentoon. Via verbrand hout, eierschalen en gesmolten bitumen wil het werk met de toeschouwer het gesprek aanknopen over de zin van het leven en over de spirituele dimensie van het menselijke bestaan. Erik De Smet |
||||
|
“Materiaal nodigt uit tot bezinning” |
||||
|
We ontmoeten de kunstenaar in de stemmige (allang voor de eredienst afgedankte) Landschotkapel in de Antwerpse havenbuurt. Tegen de wanden staan abstracte kunstwerken opgesteld als staties. Geen verhaal, geen figuren, enkel het materiaal spreekt hier. In een oude eikenbalk lopen als het ware gele |
![]() |
Ik weiger ook om vanuit één standpunt te vertrekken. Ik wil het gesprek openhouden. Daarom ook mijn keuze om abstract te werken.Causa Vitae stond al tentoon in de Carolus Borromeuskerk in hartje Antwerpen. Voor de tentoonstelling in Oostduinkerke maakte ik van de reeks een kleinere,meer kleurrijke versie. De oorspronkelijke versie is deze zomer nog te zien in Brussel en in Gent. Samen met de deken |
||
|
aders. Het werk nodigt uit om stil te worden. Omstreeks 2000 loste Swysen de band met het figuratieve en ging zich uitsluitend toeleggen op textuur en materiaal. Vóór hij zich inschreef aan de academie voor beeldende kunsten studeerde Swysen wetenschappen. Van deze eerste professie zijn in zijn werk nog steeds sporen te vinden. Causa Vitae, de reeks die deze zomer in drie Sint-Niklaaskerken te bewonderen is. De kunstenaar mediteert door middel van rechtopstaande abstracte panelen over de levensloop van de mens.
- Ons valt meteen uw voorliefde op voor hout, liefst verweerd en zwartgeblakerd. Steevast start mijn creatief proces met de keuze van het materiaal. Ik gebruik inderdaad graag hout, omdat het organisch is. Ooit zat het vol leven, nu is het dood en toch weer niet. Hout blijft leven. Wat je ziet, is wel steeds een reconstructie. Ik bewerk immers het hout. Een afgedankte dwarsbalk brand ik in fasen af met een gasbrander. |
Vervolgens smoor ik het smeulende hout en fixeer ik de verkoolde korst, anders zou het afbrokkelen en tot stof vergaan. Ik beitel bij, vul holtes op. Ook beschilder ik het hout, rood of geel, om het reliëf sterker te laten uitkomen. Ook andere materialen fascineren me: marmer, zand, textiel… Lange tijd was ik op zoek naar iets om het thema ‘geboorte’ te verbeelden. Uiteindelijk kwam ik op geplette eierschalen. Het resultaat van gebroken eierschalen op doek is abstract, maar ook weer niet. Het zijn immers de resten van een geboorte. Metaal bewerk ik met zuur, waarmee ik in de roest nuances aanbreng. Zo krijgen de roestvlekken – altijd het resultaat van blootstelling aan de zuurstof in de lucht – een betekenis. Een mens ademt zuurstof, maar ouder worden is ook blootstaan aan oxidatie, aan aftakeling. De laatste tijd leg ik me ook toe op het bewerken van bitumen, asfaltpapier voor dakbedekking. Het wordt bekrast, gesmolten, gescheurd. Zo lijkt het bitumen sterk op de huid die het lichaam beschermt.
- Door de opstelling komen uw werken over als staties van een kruisweg, zeker tegen de wanden van een kerkgebouw of een kapel. Zo waren ze van bij het begin ook
|
bedoeld. Overigens dacht ik immers eerst aan een heuse kruisweg, maar gaandeweg ging ik mijn werk opentrekken naar het leven in het algemeen. Eerder in mijn werk deed zich hetzelfde voor met de figuur van de gekruisigde Christus. Die maakte zich los van het oorspronkelijke verhaal en ging symbool staan voor de lijdende mens. In Causa Vitae zie je in één beweging begin én einde van het leven. Dat zet aan tot denken, meen ik. Iedereen heeft een missie. In de kerk in Oostduinkerke plaatste ik de werken wel parallel met de oorspronkelijke staties van de kruisweg.
- Waarom koos u voor het abstracte werk, kunst zonder ook maar één herkenbaar beeld? Als de figuur reeds alles zegt, blijft het kunstwerk gesloten. De werken staan ook echt op twee poten – je kunt er benen in zien. Mijn werken zijn als mensen en willen de dialoog aangaan met passanten. Daarom heb ik graag dat er stoelen in de ruimte staan die de bezoekers uitnodigen stil te vallen bij één werk. Een nieuwe reeks, deze zomer te bekijken in Alden Biesen, draagt als titel Quo Vadis (Waarheen gaat gij?, n.d.r.). Het thema is migratie, maar de uitwerking is gelijkaardig aan de andere lopende projecten. |
Opnieuw toon ik abstracte figuren en arrangeer ik ze alsof ze meespelen in het verhaal dat ik wil vertellen, als waren het acteurs die de regisseur een plaats geeft in zijn film. Ik wil graag ook in gesprek gaan met het publiek dat niet vertrouwd is met abstracte kunst. De laatste jaren boeit me het totaalconcept meer dan het losstaande werk. Daarom ook mijn keuze om vooral afgewerkte reeksen te tonen en steeds een inhoudelijk thema aan te snijden.
- Vanwaar uw voorkeur om vooral in kerken en kapellen tentoon te stellen? Allereerst is het mijn bedoeling om met kunst mensen aan het denken te zetten. Een kerkgebouw nodigt van zichzelf uit tot bezinning. Er is ook een gevoelsmatig aspect. Elk oud gebouw ademt een geesteskracht, zeker oude kerken en kapellen. Maar deze zomer zijn we ook te gast in Alden Biesen, wat dan weer een gewezen kasteel is. Daar speelt hetzelfde effect. De ruimte bepaalt steeds de opstelling van de werken. Alhoewel katholiek opgevoed, voel ik me niet bepaald religieus geïnspireerd. Ik ben wel geboeid door het spirituele dat leeft in iedere mens. Kunst en religie hebben veel gemeenschappelijk. Beiden willen een invulling geven aan de leegte waarmee de mens wordt geconfronteerd.
|
van Brussel zochten we naar een geschikte kerk in de hoofdstad. De eerste suggestie was de Sint-Michiels en Sint-Goedelekathedraal. Maar die leek ons door de drommen toeristen te druk. Uiteindelijk kozen we voor de Sint-Niklaas bij de Beurs. Er heerst een intieme sfeer, en toch is het in het hart van de stad.
Hedendaagse kunst lijkt vaak slechts het restant van het creatieve proces bij de kunstenaar. Ook bij u? Een werk maakt, vermoed ik, drie levensfasen door. Eerst ben ik er die het werk schept. Vervolgens is er de confrontatie en de interactie met het publiek. Daar hecht ik veel belang aan. Tenslotte sterft het werk stilletjes in een woonkamer of een vergaderzaal van een bedrijf. Dat aspect van kunst, het begraven zijn in een gesloten atmosfeer, boeit me minder dan de dialoog met het publiek. Verkoop is dus veeleer een bijproduct. Maar soms wel noodzakelijk om bezig te kunnen blijven.
|