|
Hersenschors
De bezielde huid van Mark Swysen Met dank aan Florent Bex die aantekeningen van een gesprek met de kunstenaar in diens atelier ter beschikking heeft gesteld. Auteur Marie Oosterbaan is beeldend kunstenaar en freelance auteur. Bij het binnenkomen van Onze-Lieve-Vrouwe-over-de-Dijle te Mechelen valt het oog op een paneel van licht spiegelend koperplaat, met aan de bovenzijde een in verschillende kleuren beschilderd blok hout. Het werk, getiteld Alpha ad omegam, nodigt door opstelling en maatvoering de bezoeker uit zichzelf te beschouwen. Het werk is tevens de introductie tot Kruisgang van de mens, een installatie die Mark Swysen tijdens de maand augustus 2005 in deze gotische kerk maakte. |
![]() |
| Reeksen De delen van Kruisgang van de mens staan als langgerekte koppoters op strak gelaste standaards voor de originele kruiswegstaties van de kerk. Meestal als eenling, soms in groepjes van twee of drie. De staties zelf zijn grijze zandstenen bas-reliëfs, die opgaan in de toon van de muren en pilaren. De rondgang in de zijbeuken van de kerk begint met Fiat Lux, een brandende kaars in een blankhouten spieraam. Via werken in karmozijn, roesttinten en grijzen komt men uit bij bruine en zwarte panelen met titels als "Et puis la mort elle nous attend" en "Requiescet in pacem". Voor de meestal verstilde composities gebruikt Swysen cortenstaal, rubber, acryl met mixed media op linnen en op verbrand eikenhout, en een ritmische combinatie van vierkante schijfjes steen, hout, metaal en grof doek. Voor Mark Swysen is de ruimte waarin hij exposeert bepalend voor de opstellingen die hij maakt. Voor de installatie in Mechelen heeft hij aanvankelijk overwogen om de originele kruiswegstaties op de een of andere wijze aan het oog te onttrekken. |
![]() ![]() ![]() |
|
Swysen: 'Ik ben blij
dat ik daar op ben teruggekomen. Ze gaan nu een verhouding aan met de elementen die er
voor staan opgesteld.' Zo wordt met deze opstelling verwezen naar de relatie tussen de
levensfasen van de mens en het in de staties vertelde lijdensverhaal van Christus. 'Ik vind dat Kruisgang van de mens in al zijn karigheid prima past bij de soberheid van de kerk.' Het hooginvallende licht door de uit kleine kleurvlakjes opgebouwde glas-in-loodvensters werpt een subtiel mozaïek op de vloer en helpt zo de serene grijze stilte te accentueren. Als zoveel Belgen is Swysen katholiek opgevoed. 'Maar ik doe er al jaren niets meer aan.' Wel ziet hij een parallel tussen religie en kunst. 'Beiden zijn een invulling van de leegte. Maar waar kardinaal Danneels bij twijfel "Ja" besluit, besluit ik bij twijfel "Nee". Het neemt niet weg dat in beide gevallen de leegte en de twijfel identiek zijn. Maar anderen vullen deze leegte met bijvoorbeeld sport.' Swysen heeft zowel de staties van de kruisweg als de fasen in het mensenleven ook wel vergeleken met het étappeschema van de Tour de France. 'Alleen verloopt het in het dagelijks leven vaak veel chaotischer dan in een strak georganiseerde wielerronde.' Voordat hij de kunstacademie (Academie voor Beeldende Kunsten van Antwerpen & Instituut Roger Avermaete te Berchem) in Antwerpen bezocht, studeerde Swysen biologie en toegepaste wetenschappen. Het verklaart deels de zowel beredeneerde als de emotionele aspecten in zijn beeldende werk. In zijn vroege werk (rond 1999) stond de Christusfiguur centraal als symbool van het universele lijden van de mens, maar ook van het revolterende individu. Het thema van de reeks Terra (2002-2003) is de relatie tussen de mens en de natuur. Ten grondslag aan de serie Traag danst de tijd zijn oeverloze tango (2003-2004) ligt de vergankelijkheid van de mens en de oneindigheid van het universum. Inmiddels is de levensloop van de mens het onderwerp van zijn werk. Zo toont Swysen in september 2005, in een kapel te Bree, een vijfdelige installatie. Bij elk deel staat een plastic watercontainer met een kraantje. Deze containers bevatten opeenvolgend melk, vruchtensap, rode wijn, koude koffie en helemaal niets. Zo kunnen de bezoekers uit kommetjes proeven van de babytijd, de jeugd, het volle leven, de veroudering en de dood. Representatie Binnen zijn schilderijen verschuift in de loop der jaren het accent van een herkenbare voorstelling naar de huid van het schilderij. 'Vroeger zette ik te veel ideeën tegelijk op één doek. Daar had niemand iets aan, niet de schilder, noch de beschouwer. Het is gewoon niet goed om te veel ideeën tegelijkertijd te verbeelden. Op zeker moment ben ik de verschillende beelden gaan uitknippen en daarmee ben ik weer aan de slag gegaan, door ze bijvoorbeeld uit te vergroten.' Swysen begint zijn verf steeds dikker te maken, en voegt er metaaldraad, karton, kiezel of verfrommeld linnen aan toe. Ook smeert hij dikke lagen verf op het doek, die hij vervolgens tamponneert en/of wegkrast, zodat een structuur achterblijft, waarover hij weer verder schildert. Gaandeweg beginnen de werken, ook door het gebruik van driedubbele spieramen, steeds meer op sculpturen te lijken. De materialen die hij aan de verf toevoegt, krijgen in de loop der tijd een steeds zelfstandiger functie. De spieramen worden nu ook bespannen met een vel rubber of een lap lood, en materialen als cortenstaal of koperplaat worden in de maten (meestal 150 x 45 cm) van de opgespannen 'doeken' gemaakt. De metalen worden bewerkt om diverse schilderkunstige effecten te bereiken. Zo behandelt Swysen staal en bij voorkeur cortenstaal met zoutzuur om het prachtig kleurende oxidatieproces te versnellen. Loden platen worden op verschillende manieren bewerkt. Een behandeling met zwavelzuur vormt blauwe patina's, terwijl waterstofsulfide diepgrijze tonen oplevert. In tegenstelling tot cortenstaal kan het verweringsproces van lood niet volledig worden gestopt; het zal blijven veranderen en verkleuren. Andere metalen worden gebleekt met natriumhydroxide, of geschuurd en gepolijst om een satijnglanzend oppervlak te verkrijgen. De keuze van de te gebruiken materialen en de bewerking zijn in hoge mate afhankelijk van het onderwerp. Zo wilde Swysen het spieraam van het hierboven besproken Fiat Lux aanvankelijk met een brander bewerken en dan weer opschuren. Binnen de context van de opstelling in Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijle vond hij een blank, schoon, 'proper' kader echter meer op zijn plaats. En de eierschalen die liggen in een grote glazen kom in Swysens atelier, wachten erop te worden geplakt op een paneel in de hem zo eigen maten. Heilig vuur Het gebruik van verbrande platen eikenhout had een heel prozaïsche oorsprong. Tijdens het bouwen van een open haard stookte hij de restanten van de eiken omlijsting op. Hij zag hoe prachtig het hout langzaam verteerde met een gelijkmatig vuur net zoals de mens door de oxidatie (verbranding) van zijn cellen oud wordt en uiteindelijk zal sterven. 'Ik wist zeker dat de huid van mijn werk zo zou moeten zijn.' In de tuin van zijn ouders stookte hij vuurtjes om uit te proberen wat er allemaal mogelijk is met platen hout. 'Dat was nog een heel gedoe; grote platen hout zijn niet makkelijk te hanteren en laten zich niet gelijkmatig branden.' Swysen verstookte alle mogelijke soorten hout, zoals vuren en grenen. 'Maar dat werd niks, die houtsoorten zijn gelijk weg en gaan meteen in vlammen op. Eikenhout is anders, het krimpt en trekt in de lengte. Na veel experimenteren kan je het proces echt volgen en voorspellen wat er zal gebeuren. Timing is extreem belangrijk: het komt steeds heel erg aan op de juiste balans.' Al doende met platen hout boven de kampvuren realiseerde Swysen zich dat het veel handiger is te werken boven een vaste constructie. Rond die vuurhaard staan stellingen waarop de plaat hout wordt gelegd. Zo is de plaat makkelijk te verschuiven, waardoor hij gelijkmatiger kan worden gebrand. Voor een mooi resultaat wordt het vuur hoog opgestookt, zodat er echte vlammen ontstaan. Zodra het een mooi bed met vuur is, wordt het hout op de stellingen gelegd, opdat de onderkant van het deel van de plaat dat boven het vuur ligt vlam kan vatten. 'Dat zie je gebeuren, doordat een vuurgloed aan de zijkanten heen en weer danst. Een prachtig gezicht! Je moet dit proces even de tijd geven, hoewel je ook moet uitkijken dat het niet te lang duurt. Het hout wordt dan te ver aangetast en kan als verloren worden beschouwd. Het komt er dus echt op aan op het "juiste" moment de plaat te verschuiven, zodat een ander deel door het vuur kan worden aangetast.' Om na het verbranden een plaat over te houden die voldoende mooi en stevig is, dienen de te branden platen zeker twee centimeter dik te zijn. Want van die dikte gaat een aanzienlijk deel door het vuur verloren. Daar bij het branden van de plaat de randen erg worden aangevreten zijn de buitenmaten van de ongebrande plaat aanzienlijk groter dan de maten die hij in zijn werk gebruikt (150 x 45 cm). Al met al wordt een plaat eikenhout in zo'n drie stappen gebrand. Om niet het risico te lopen dat boven de barbecue te veel hout wegbrandt, wordt het hout vervolgens met een campinggasbrander bijgewerkt. Een dergelijke brander geeft meer controle en biedt de mogelijkheid juist kleine stukken extra te bewerken. 'Voor de grotere werken gebruik ik meerdere eiken platen, waarbij ik de verbinding tussen de platen reconstrueer met verbrand materiaal dat aan de randen weggevallen is. Zoals alle brandweerlui weten, doof je vuur door het zijn levensnoodzakelijke zuurstof te ontnemen. Met dekens smoor ik dus de vlam, zonder gevolg voor het proces. Daarna moet je wel even wachten tot alles afkoelt en opletten dat de wind het proces niet herbegint.' Over het algemeen brengt Swysen op deze gebrande platen lagen aan van met modelleerpasta dik gemaakte acrylverf. Deze verf, veelal zwart of in aardkleuren, wordt tussendoor opgeschuurd en weer verder bewerkt. Daardoor bieden de huid en het patina doorkijkjes naar onderliggende lagen. In zekere zin restaureert hij het verbrokkelde oppervlak door alle poriën en barsten nauwkeurig op te vullen. De houtskoolresten worden nu eens met pasta bevestigd, dan weer weggebeiteld en weer opgevuld. Zo ontstaat een verweerde nieuwe huid. De laatste jaren experimenteert Swysen met bitumen. Als dakbescherming is asfaltpapier voor hem een symbolisch geladen materiaal, 'als het ware een huid die het menselijk lichaam beschermt'. Het wordt gescheurd, gekrast, gebrand en versmolten. Ook bewerkbare wegwerpmaterialen zoals plasticflessen worden door de kunstenaar gesmolten en vervormd tot beschilderbare huiden. Swysens atelierwoning weerspiegelt de verticale lijnen van zijn werk. In het vier verdiepingen tellende huis met torentje, neemt de wenteltrap die rechtstreeks van de kelderverdieping naar de bovenste etage klimt een belangrijke plaats in. Daar boven bevindt zich het atelier. Het er deel van uitmakende dakterras biedt uitzicht op de daken van Antwerpen en op het uitspansel. Hier, boven de louterende vlammen van zijn vuren, als was het een oud ritueel, bewerkt hij bitumen, plastic wegwerpflessen en natuurlijk eikenhout . 'Ondanks het feit dat ik zeer nabij het stadscentrum woon, ben ik er toch niemand mee tot last. En het is heerlijk werk, vooral in de winter.' |
|